Nieuw voorstel van resolutie over verantwoordelijkheid van de Belgische overheid in kader van Jodenvervolging in de Senaat
januari 26, 2012
Meer dan vier en half jaar na de voorstelling van het SOMA-rapport ‘Gewillig België’ in de Belgische Senaat, werd in de Senaat opnieuw een voorstel van resolutie ingediend “om de verantwoordelijkheid van de Belgische overheid te erkennen voor de Jodenvervolging in België”.
Zoals bekend dienden op 3 oktober 2002 de Franstalige senatoren Alain Destexhe (MR) en Philippe Mahoux (fractieleider PS) in de Senaat een voorstel van resolutie in “betreffende het bepalen van de feiten en eventuele verantwoordelijkheid van Belgische [politieke, administratieve en gerechtelijke] overheden bij de [identificatie,] deportatie en vervolging van Belgische joden tijdens de Tweede Wereldoorlog”. Voordien waren beiden respectievelijk secretaris en verslaggever van de bijzondere Rwanda-commissie ( 1997) geweest. Destexhe had reeds in 1994 een essay over de genocide in Rwanda geschreven en bovendien was tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn grootvader, advocaat bij het Hof van Beroep, door de Duitsers gearresteerd geweest. Destexhe en Mahoux vroegen expliciet om de studie – een project van twee jaar – aan het SOMA toe te vertrouwen. Daarna, aldus nog Destexhe en Mahoux, kon, indien nodig, in de Senaat een parlementaire onderzoekscommissie worden ingesteld.
In brede kringen van zowel Franstalige als Nederlandstalige zijde heerste een consensus. De partijen van de meerderheid (MR en VLD; PS en SP; Agalev en Ecolo), evenals de christen-democratische oppositie (CDH en CD&V) steunden het voorstel. In de hoorzittingen in de Senaat van 23 januari 2003 gaf eveneens Eerste minister Guy Verhofstadt (VLD), gewezen voorzitter van de Rwanda-commissie, zijn zegen.
Wegens budgettaire problemen bij de federale overheid startte het SOMA pas op 1 september 2004 met het onderzoek. Op 13 februari 2007 werd het lijvig SOMA-eindrapport in de Commissie Institutionele Zaken van de Senaat gepresenteerd. De titel liet aan duidelijkheid niets te wensen over : ‘Gewillig België. Overheid en Jodenvervolging in België tijdens de Tweede Wereldoorlog’. De resultaten van het onderzoek trokken ook de aandacht van de Amerikaanse en Israëlische diplomatie. Nog datzelfde jaar verscheen het rapport in boekvorm, zowel in Nederlands- als Franstalige editie.
Al op 7 maart 2007 – enkele maanden voor de federale verkiezingen - dienden Alain Destexhe en Philippe Mahoux in de Senaat een voorstel van resolutie in “strekkende om de verantwoordelijkheid van de Belgische overheid te erkennen van de Jodenvervolging in België”. Op 12 juni 2008 – enkele maanden na de uiteindelijke vorming van de regering Leterme I – dienden ze hun resolutie opnieuw in. De resolutie kreeg blijkbaar geen gevolg.
Recent, op 25 oktober 2011, deed Philippe Mahoux een nieuwe poging. (Alain Destexhe zelf zetelt sinds 2010 in het Parlement van de Franse gemeenschap). Mahoux’ voorstel van resolutie kwam voor op de zitting van de Senaat van 30 november en het kreeg nu de steun van zowel Franstalige als Nederlandstalige socialisten (PS-fractieleider Mahoux zelf en SP.A fractieleidster Marleen Temmerman), liberalen (Jacques Brotchi van de MR en fractievoorzitter van Open VLD Bart Tommelein) en groenen (fractievoorzitter van Ecolo Jacky Morael en fractievoorzitster van Groen Freya Pireyns). Ook kreeg Mahoux de steun van CD&V (de voorzitster van de Senaat Sabine de Bethune). Om een of andere reden ontbreekt de naam van een CDH’er. De Vlaams-nationalisten (Vlaams Belang en N-VA) ontbraken volledig op de lijst van indieners. Maar volgens welingelichte bron werden noch het Vlaams Belang, noch de N-VA gevraagd om het voorstel van resolutie te ondertekenen.
De aanleiding tot de nieuwe resolutieaanvraag is niet bekend. Wel is duidelijk dat in Joodse kringen het ongenoegen over het uitblijven van een gevolg geven aan de resultaten van het SOMA-rapport steeds groeide. Alhoewel toenmalig premier Guy Verhofstadt bij bepaalde plechtigheden, zoals in de Dossin-kazerne (2002) en Yad Vashem (2005), herhaaldelijk bevestigde dat Belgische autoriteiten hadden meegewerkt aan de Jodenvervolging, werd dat blijkbaar te onvoldoende, te weinig als een officiële verontschuldiging geacht. Bovendien kwamen die uitspraken er nog voor de voorstelling van het SOMA-rapport, zodat ze blijkbaar eerder als een individueel initiatief werden geïnterpreteerd.
In een eerste reactie op het rapport, tijdens de voorstelling in de Senaat, liet Verhofstadt via zijn vertegenwoordigster weten dat het rapport als “herinnering” moest dienen voor de komende generaties en dat er lessen voor de democratie moesten worden uitgetrokken. Midden april 2007, tijdens een ontmoeting met de nationale Commissie voor de schadeloosstelling van de Joodse Gemeenschap in België, bevestigde hij dat hij in het onderwijs graag de verplichting wou invoeren om les te geven over de Tweede Wereldoorlog, en in het bijzonder over het Belgisch deel van de Shoah. De delegatie van de Commissie bevestigde ook dat Verhofstadt op 8 mei – tevens herdenking van de capitulatie van nazi-Duitsland – “een belangrijke publieke verklaring” zou afleggen over de verantwoordelijkheden van België in verband met de discriminatie, de vervolging en deportatie van Joden in ons land. Die “belangrijke publieke verklaring” kwam er echter louter zijdelings, meer bepaald tijdens de Erkentelijkheidsceremonie voor de “Rechtvaardige Belgen” aan de Kunstberg in Brussel. Het accent lag op “Belgen die wel opgekomen zijn voor hun medemens”.
De voorstellen van resolutie van 2007/2008 en de huidige wijken nauwelijks van elkaar af. Er wordt enerzijds benadrukt dat “de verantwoordelijkheid voor de judeocide in eerste instantie berust bij de kopstukken van het nationaal-socialistische regime in Duitsland en bij degenen die ervoor kozen, ook in België, met dat regime te collaboreren” en anderzijds dat “heel veel Belgen Joden geholpen en gered hebben”. Maar dan klinkt het scherp “De houding van talloze landgenoten staat blijkbaar in schril contrast met wat men de bureaucratische uitsloving zou kunnen noemen in de passieve en soms actieve collaboratie bij heel wat officiële Belgische overheden en instellingen. Bevelen, ook al zijn ze wettig, zijn niet altijd te rechtvaardigen”.
Tegelijkertijd is dit laatste een wat ongelukkige formulering, want er zou kunnen uit worden geconcludeerd dat bepaalde Duitse anti-Joodse bevelen “wettig” waren. Uit een verdere lezing blijkt dat dit echter allesbehalve de intentie van de resolutie is. Wel zou de hulp van Belgen aan Joden in de resolutie meer kunnen worden genuanceerd en gepreciseerd en is het onderscheid tussen actieve en passieve collaboratie niet duidelijk.
Tevens wordt in de resolutie beklemtoond dat de houding van de Belgische overheid niet uitzonderlijk was : dat gold ook voor “heel wat” andere bezette landen. Maar : “Die duistere bladzijde uit de Belgische geschiedenis [blijft] onderbelicht en [ze] werd officieel niet erkend, in tegenstelling tot wat Frankrijk op dat punt heeft gedaan”. Daarmee wordt verwezen naar de publieke verontschuldigingen van de Franse president Jacques Chirac op 16 juli 1995, in een toespraak ter herdenking van de razzia’s op 16 juli 1942 in Parijs, toen de Franse politie en gendarmerie op bevel van de Duitse bezetter 13.000 Joden oppakte.
In het voorstel van resolutie krijgt het SOMA een pluim : “De Senaat (…) feliciteert en dankt het SOMA voor een studie, die onder meer stoelt op een analyse van nieuwe primaire bronnen”. Aan de regering wordt onder meer gevraagd om, in navolging van de Senaat : “ te erkennen dat de Belgische overheden verantwoordelijkheid dragen voor het definiëren, beroven, marginaliseren, uitsluiten van de maatschappij en deportatie van Joden in België”. Tevens wordt de regering gevraagd bijkomende studies te ondersteunen en te financieren over “de afwikkeling van de Joodse kwestie in de naoorlogse repressie van het incivisme” enerzijds, en over “de verzetsdaden die de Belgische overheid verricht heeft tegen de bezetting tijdens de Tweede Wereldoorlog” anderzijds. Ook wordt het accent gelegd op het pedagogisch aspect en wordt gepleit voor een betere bewaring van archieven.
Lieven Saerens
Bron: www.cegesoma.be